Versterkt terug naar werk-beleid in geval van arbeidsongeschiktheid – wat zijn de belangrijkste gevolgen voor de werkgever en de werknemer?

De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de wet van 19 december 2025 aangenomen die een versterkt terug naar werk-beleid invoert in geval van arbeidsongeschiktheid (56K1177). Deze wet werd gepubliceerd in het Belgische Staatsblad op 30 december 2025. Het merendeel van de bepalingen, die reeds werden aangekondigd in het regeerakkoord van januari vorig jaar, treden in werking op 1 januari 2026 en leggen nieuwe verplichtingen op aan zowel werkgevers als werknemers.

Nu de definitieve tekst beschikbaar is, is het belangrijk hen hierover correct te informeren.

Afwezigheid zonder getuigschrift

De wet van 30 oktober 2022 houdende diverse bepalingen betreffende arbeidsongeschiktheid, had artikel 31, § 2/1 van de wet van 3 juli 1978 inzake arbeidsovereenkomsten gewijzigd, door te bepalen dat de werknemer «  er driemaal per kalenderjaar niet toe gehouden een geneeskundig getuigschrift voor te leggen voor de eerste dag van een arbeidsongeschiktheid« .

Artikel 33 van de wet van 19 december 2025 beperkt deze mogelijkheid voortaan tot twee keer.

Ter herinnering: deze uitzondering geldt uitsluitend voor afwezigheden van één enkele dag en kan niet worden toegepast op twee opeenvolgende dagen. Zodra de afwezigheid twee dagen beslaat, moet zij worden verantwoord met een medisch attest dat ook de eerste dag dekt.

Medische overmacht

Artikel 34 van de wet van 3 juli 1978 regelt de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens definitieve arbeidsongeschiktheid van de werknemer om het overeengekomen werk te verrichten. Het bepaalt dat medische overmacht slechts kan worden vastgesteld na het doorlopen van een specifieke procedure, die pas kan worden opgestart wanneer de werknemer minstens negen maanden ononderbroken arbeidsongeschikt is geweest.

Artikel 35 van de wet van 19 december 2025 verkort deze termijn: de procedure kan voortaan worden geactiveerd na zes maanden ononderbroken arbeidsongeschiktheid.

Terugval en nieuw gewaarborgd loon

De artikelen 52 en 73 van de wet van 3 juli 1978 bepaalden dat bij een terugval binnen de eerste veertien kalenderdagen na het einde van een periode van arbeidsongeschiktheid – en tenzij de nieuwe arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een andere ziekte of een ander ongeval – geen gewaarborgd loon opnieuw verschuldigd is. Enkel het deel dat niet door de eerste ongeschiktheid werd gedekt, bleef verschuldigd. Het gewaarborgd loon was pas opnieuw verschuldigd wanneer de nieuwe arbeidsongeschiktheid zich voordeed veertien dagen na de werkhervatting.

De artikelen 37 tot en met 39 van de wet van 19 december 2025 verlengen deze tussenperiode: voortaan moeten er acht weken liggen tussen twee periodes van arbeidsongeschiktheid opdat opnieuw een volledig gewaarborgd loon verschuldigd zou zijn.

Deze bepalingen zijn van toepassing op arbeidsongeschiktheden die zich voordoen vanaf 1 januari 2026. Concreet zal bij elke nieuwe arbeidsongeschiktheid moeten worden nagegaan of de vorige periode meer dan acht weken geleden is geëindigd om te bepalen of er opnieuw gewaarborgd loon verschuldigd is.

Gedeeltelijke werkhervatting en gewaarborgd loon

Tot op heden was geen gewaarborgd loon verschuldigd wanneer een nieuwe periode van arbeidsongeschiktheid zich voordeed tijdens de eerste twintig weken van een gedeeltelijke werkhervatting (het zogenaamde “medisch halftijds werk”), na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid en mits akkoord van de adviserend arts van de mutualiteit. Na deze ‘neutralisatie’periode was het gewaarborgd loon wel opnieuw verschuldigd.

De artikelen 40 tot en met 42 van de wet van 19 december 2025 bepalen dat vanaf 1 januari 2026, en voor arbeidsongeschiktheden die zich vanaf die datum voordoen, gedurende de volledige periode van gedeeltelijke werkhervatting geen gewaarborgd loon meer ten laste van de werkgever verschuldigd is.

Inhoud van het arbeidsreglement

Artikel 31 van de wet van 19 december 2025 breidt de verplichte vermeldingen in het arbeidsreglement uit met de procedure voor het onderhouden van contact met arbeidsongeschikte werknemers, zoals bedoeld in artikel I.4-71/2 van de Codex over het welzijn op het werk. Deze procedure zal minstens moeten vermelden wie verantwoordelijk is voor het contact met de arbeidsongeschikte werknemer en met welke frequentie dit contact plaatsvindt.

Solidariteitsbijdrage werkgevers inzake primaire arbeidsongeschiktheid

De wet van 27 december 2021 had, ten laste van de werkgevers, een responsabiliseringsbijdrage ingevoerd met betrekking tot invaliditeit. Aangezien de invaliditeitsfase pas na één jaar arbeidsongeschiktheid wordt bereikt, werd deze responsabilisering vermoedelijk als te laattijdig beschouwd. Om die reden wordt deze regeling opgeheven met ingang van 1 april 2026, zodat de RSZ nog de tijd krijgt om de bijdrage voor het laatste kwartaal van 2025 te berekenen.

Vanaf 1 januari 2026 wordt zij vervangen – voor arbeidsongeschiktheden die ten vroegste op die datum aanvangen – door een nieuwe trimestriële solidariteitsuitkering.

Deze bedraagt 30% van de som van de primaire ongeschiktheidsuitkeringen die verschuldigd zijn voor de periode van twee maanden, berekend van datum tot datum, vanaf de eenendertigste dag van de primaire arbeidsongeschiktheid van de werknemer, met andere woorden na afloop van de maand gewaarborgd loon. De verplichting tot betaling van deze bijdrage wordt beschouwd als een sterkere stimulans om arbeidsongeschikte werknemers actief te begeleiden naar werkhervatting. De wet omschrijft nauwkeurig het toepassingsgebied van de maatregel – ondernemingen met meer dan 50 werknemers en personeelsleden tussen 18 en 55 jaar, behoudens enkele uitzonderingen – alsook de berekeningswijze van het gemiddeld personeelsbestand en van de bijdrage op basis van gegevens aangeleverd door de mutualiteiten. De berekening zal gebeuren door de RSZ, die de bijdrage int zoals de gewone sociale zekerheidsbijdragen. Nadere uitvoeringsmodaliteiten worden nog verwacht.