Getuigenverklaringen: beter vlug dan laat!

In arbeidsrechtelijke zaken wordt vaak gebruikt gemaakt van getuigenverklaringen om bepaalde feiten te bewijzen.

Een getuigenverklaring moet volgens het Gerechtelijk Wetboek voldoen aan bepaalde vormvereisten (o.a. bepaalde vermeldingen bevatten). We merken dat werkgevers in het kader van bepaalde gebeurtenissen vaak de goede reflex hebben om snel getuigenverklaringen te laten opstellen, die helaas, alle goede intenties ten spijt, zelden de voorgeschreven vermeldingen bevatten.

Dat is niet noodzakelijk een probleem. De rechter kan immers door de onvolmaaktheden kijken, en de verklaring toch als geloofwaardig aannemen, op voorwaarde dat hij uitlegt waarom. Zo kan een onregelmatige verklaring dus toch nog bijdragen tot de bewijslast.

Maar een onvolledige verklaring is niet zonder risico want het geeft de rechter wel degelijk de mogelijkheid geeft om er geen rekening mee te houden, puur op formele gronden. En we zien in de recente rechtspraak toch een steeds toenemende aandacht voor deze vormvereisten, vandaar het belang om getuigenverklaringen van meet af aan in de juiste format te gieten!

Een bijkomende tip is om de verklaringen bij voorkeur te laten opstellen kort na de feiten. Dit is eigenlijk evident. Uiteraard omdat op dat moment nog alles fris in het geheugen zit, maar ook omdat je simpelweg niet weet of jouw getuige maanden (of jaren) later nog wel beschikbaar/bereid zal zijn om een verklaring af te leggen! Er kan immers van alles gebeuren intussen: een overlijden, een ontslag (in niet zo’n goede verstandhouding), geheugenverlies, …

Een voorbeeld dat we onlangs meemaakten: een werknemer met een niet-concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst neemt ontslag. Er wordt niet schriftelijk verzaakt aan de toepassing van het beding (ai!) maar tijdens het afscheidsetentje zegt de country manager wel dat het beding niet zal toegepast worden (in dit geval omdat de werknemer had aangegeven toch niet naar de concurrentie te gaan). De werknemer claimt alsnog de niet-concurrentievergoeding, waarop de country manager in eigen bewoordingen (en zonder de vereiste formaliteiten) op e-mail zet wat er was gezegd over het bewuste beding. De rechter stelde vormgebreken vast, beklemtoonde dat de verklaring niet ondertekend was, en besloot dat de verklaring dus onvoldoende bewijswaarde had. Positief was dat de rechter wél de kans liet aan de werkgever om een nieuwe verklaring voor te leggen van de betrokkene. In de tussentijd was de country manager helaas bedankt voor bewezen diensten, en voelde die er nog weinig voor om een nieuwe verklaring op papier te zetten… Gevolg: geen bewijs van verzaking aan het niet-concurrentiebeding en 6 maanden vergoeding verschuldigd.

Dus: toch maar beter die verklaringen ineens juist laten opstellen! Als iemand al iets op papier had gezet is het misschien vervelend om te vragen dat nog een keer te doen, maar het vermijdt veel moeilijkheden achteraf!