
We hebben hier al eerder melding gemaakt van de bepalingen van de wet van 19 december 2025 tot uitvoering van een versterkt terug naar werk-beleid in geval van arbeidsongeschiktheid, die een directe invloed hebben op elk van de partijen bij de arbeidsovereenkomst, en dit binnen de contractuele relatie.
Maar de wet bevat ook bepalingen die naast de werkgever en de werknemer ook artsen en mutualiteiten responsabiliseren, aangezien zij een sleutelrol spelen in het terug naar werk-beleid dat de regering wil versterken.
Om te beginnen valt op dat de wetgever in de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen de woorden « zijn resterende capaciteiten » met betrekking tot de werknemer met een erkende arbeidsongeschiktheid vervangt door de woorden « zijn arbeidspotentieel« . Deze aanpassing van de terminologie laat goed zien voor welke proactieve aanpak er is gekozen.
Terug Naar Werk-traject
Wanneer een begunstigde van een arbeidsongeschiktheidsuitkering een ‘arbeidspotentieel’ heeft, start de mutualiteit die hem deze uitkering betaalt een ‘Terug Naar Werk-traject’, dat wordt begeleid door een ad-hoc coördinator, die samenwerkt met de adviserend arts en de behandelende arts.
In het kader van dit traject moet de uitkeringsgerechtigde:
– informatie verstrekken om zijn arbeidspotentieel te bepalen en indien nodig gevolg geven aan de oproep van de adviserend arts of het lid van het multidisciplinaire team dat met zijn dossier is belast,
– gevolg geven aan de oproep van de arbeidsarts van de onderneming,
– gevolg geven aan de oproep van de ‘Terug Naar Werk-coördinator’.
De wet vertrouwt de Koning de taak toe om, bij besluit genomen in de ministerraad, te bepalen onder welke voorwaarden en modaliteiten
– de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt stopgezet in geval van ongerechtvaardigde afwezigheid bij oproepen van de adviserend arts, het lid van het multidisciplinaire team of de arbeidsarts;
– de uitkering met 10% wordt verminderd in geval van afwezigheid bij de eerste oproep van de coördinator ‘terugkeer naar het werk’.
Deze sancties zijn van toepassing op afwezigheden bij elk gepland contactmoment dat ten vroegste op 1 januari 2026 plaatsvindt; wat evenwel betekent dat de oproeping vóór die datum kan plaatsvinden.
De rechtvaardiging van de afwezigheid kan zowel medisch als niet-medisch zijn.
Verspreiding van informatie over situaties van arbeidsongeschiktheid
Een GAOCIT-database (voor Getuigschrift ArbeidsOngeschiktheid – Certificat d’Incapacité de Travail) zal alle informatie over elektronische medische attesten verzamelen om:
– inzicht te krijgen in het voorschrijfgedrag van behandelende artsen
– ongepast gebruik van de therapeutische relatie te volgen, bijvoorbeeld in geval van frequente verandering van de geraadpleegde arts.
Deze gegevens worden in principe gepseudonimiseerd, maar kunnen door bepaalde personen op naam worden geïdentificeerd wanneer ‘klaarblijkelijke aanwijzingen’ van afwijkend gedrag dit rechtvaardigen en volgens modaliteiten die bij koninklijk besluit moeten worden bepaald. Het RIZIV is verantwoordelijk voor deze verwerking en moet in die hoedanigheid zorgen voor de naleving van de AVG (GDPR).
Maximale duur van de door het attest bevestigde arbeidsongeschiktheid
De wet bepaalt dat voor periodes van arbeidsongeschiktheid die langer duren dan 14 dagen of in geval van verlenging, de behandelende arts het attest elektronisch (via het ‘Mult-eMediatt’-platform) aan de mutualiteit moet doorgeven.
Om een voortdurende opvolging te bevorderen die een zo snel mogelijke terugkeer naar het werk mogelijk maakt, mag elk attest slechts een arbeidsongeschiktheid van maximaal drie maanden vermelden.
Deze regel geldt niet voor het attest dat bestemd is voor de werkgever. Maar het is moeilijk voor te stellen dat de arts een verschillende duur zou vermelden naargelang de ontvanger van het attest.
Deze beperking tot 3 maanden zou het voor de werkgever echter moeilijker kunnen maken om de arbeidsongeschikte werknemer onder goede omstandigheden te vervangen.
Een nieuwe sanctie voor de werkgever
In het sociaal strafwetboek wordt een artikel 127/1 ingevoerd dat voorziet in een sanctie van niveau 2 voor de werkgever die niet, uiterlijk binnen de zes maanden na het begin van de arbeidsongeschiktheid van een van zijn personeelsleden de bedrijfsarts, heeft gevraagd om een re-integratietraject te starten als deze van mening is dat de werknemer arbeidsgeschikt is.
Deze sanctie is niet van toepassing op de specifieke procedure die, in voorkomend geval, leidt tot de vaststelling van medische overmacht.
De sanctie van niveau 2 bestaat uit een strafrechtelijke boete van 50 tot 500 euro of een administratieve boete van 25 tot 250 euro.
Het valt nog te zien hoe deze sanctiemogelijkheid door de autoriteiten zal worden toegepast.
