Vertrouwensfunctie (overloon) – discriminatie

Een werkneemster die in haar functie mee instond voor de algemene boekhouding en financiële rapportering van de onderneming, daarbij ook een team van junior collega’s aanstuurde, en vrijelijk haar werkuren en werkplek kon bepalen, claimde naar aanleiding van haar ontslag loon voor overuren.

Hoewel haar functie niet voorkwam in de lijst met leidinggevende en vertrouwensfuncties in het KB van 10 februari 1965, werd door de Arbeidsrechtbank bevestigd dat deze lijst niet is aangepast aan de evolutie van het ondernemingsleven, en dus werd op basis van de werkelijk uitgeoefende functie de werkneemster toch beschouwd als iemand met een vertrouwensfunctie. Bovendien liet ze na om haar beweerde overuren te bewijzen, waardoor haar vordering tot betaling van overloon werd afgewezen.

Dezelfde werkneemster claimde eveneens een schadevergoeding wegens discriminatie op grond van haar gezondheidstoestand, omdat ze werd ontslagen tijdens haar ziekte. De werkgever had echter steeds aangehaald dat haar ondermaatse prestaties aan de basis lagen van haar ontslag, en had willen wachten tot bij de terugkeer uit ziekte van de werkneemster om de ontslagbeslissing toe te lichten, maar uiteindelijk werd beslist om toch tijdens de afwezigheid onmiddellijk ontslag te betekenen.

Het enige element dat de werkneemster kon aanbrengen om een verband aan te tonen tussen haar gezondheidstoestand en haar ontslag was de chronologie, met name dat ze werd ontslagen tijdens haar ziekte. Dit vond de rechtbank véél te mager om te kunnen doen spreken van “feiten die het bestaan van een discriminatie doen vermoeden”. Bijgevolg was er geen omkering van de bewijslast en werd de vordering afgewezen.

Op zich niet zoveel nieuws onder de zon, maar wel tweemaal een mooie illustratie van het adagium “actori incumbit probatio”. In het bijzonder wat betreft de discriminatie blijft het steeds de moeite om grondig te analyseren of er wel voldoende feiten zijn die een discriminatie doen vermoeden. Wij stellen immers vast dat werknemers vaker en vaker beweren het slachtoffer te zijn van discriminatie, vaak onterecht.

Arbrb. Brussel 27 juni 2019, A.R. 17/219/A