Dringende reden en kennelijk onredelijk ontslag

Een werknemer geeft zelf zijn opzeg. Op 2,5 weken van het einde van de opzeggingstermijn – er zouden geen prestaties meer geleverd omwille van het opnemen van vakantiedagen – wordt de werknemer ontslagen om dringende reden!

Wat zijn de redenen? Het feit dat bijna een jaar eerder de werknemer een BVBA had opgericht om zijn bijberoep activiteiten in onder te brengen (dat hij een eenmanszaak had voor dat bijberoep was van in het begin geweten door de werkgever) en dat hij daden van oneerlijke concurrentie had gesteld. En daarnaast nog wat bijkomende feiten. Als ‘straf’ en om de schade te compenseren geleden door de oneerlijke concurrentie, weigerde de werkgever loon en vakantiegeld bij vertrek uit te betalen zodat de werknemer uiteindelijk een procedure moest inleiden.

Het Arbeidshof te Antwerpen bevestigt een aantal bekende principes:

  • Als de gedelegeerd bestuurder belast is met de dagelijkse werking, en één van de bestuurders heeft een bijzondere volmacht om bepaalde daden van dagelijks bestuur te stellen, moet nagegaan worden of die bijzondere volmacht daden van ontslag omvat. Is dat niet het geval, is de dagelijks bestuurder de persoon die bevoegd is om te ontslaan. Het inroepen van een probleem met de lastgeving moet binnen korte termijn gebeuren. Dit voor de eerste maal doen in conclusies voor de rechtbank, is laattijdig.
  • De hoger aangehaalde bevoegdheidskwestie heeft impact op de tijdigheid van het ontslag: de termijn van drie werkdagen moet beoordeeld worden in hoofde van de persoon die bevoegd is om ontslag te geven.
  • Schuldvergelijking vereist het bestaan van een vaststaande en opeisbare schuld. Degene die een schuldvergelijking toepast moet het bestaan van zulke schuld bewijzen.

Wat betreft het kennelijk onredelijk ontslag bevestigt het Arbeidshof dat één van de ingeroepen redenen, met name het onterecht ontvangen van woon-werkvergoedingen, bewezen is (doch onvoldoende zwaar om een dringende reden te rechtvaardigen). Aldus, zegt het Arbeidshof, hield ten minste één van de ingeroepen redenen verband met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer, of de noodwendigheden van de onderneming.

“Dit neemt evenwel niet weg dat geen normaal en redelijk werkgever in die omstandigheden zou zijn overgegaan tot ontslag”, vervolgt het Arbeidshof.

Het vonnis dat een schadevergoeding gelijk aan 4 weken loon toekende, wordt bevestigd.

Een dringende reden die ongegrond is verklaard, staat niet automatisch gelijk met een kennelijk onredelijk ontslag. Pas als de werkgever echt lichtzinnig is tewerkgegaan, kan het ontslag als kennelijk onredelijk beschouwd worden. En zelfs in dat geval kan de rechter ver weg blijven van de maximale sanctie van 17 weken loon.

(Bron: Arbeidshof Antwerpen, 12 november 2018, AR 2017/AA/431 – er werd Cassatieberoep aangetekend tegen het arrest)