Aanvullende pensioenen en 1,5%-Wyninckx-bijdrage: opnieuw uitstel van definitieve regeling

Door programmawet van 22 juni 2012 werd een bijzondere socialezekerheidsbijdrage van 1,5% ingevoerd met betrekking tot de aanvullende pensioenen voor zowel werknemers als zelfstandigen, ook de Wyninckx-bijdrage genoemd.
De invoering ervan is in twee fasen voorzien.

In de eerste, voorlopige fase – in werking sedert 1 januari 2012 – is de bijdrage verschuldigd van zodra voor een werknemer of een zelfstandige de som van de bedragen toegewezen aan de individuele rekeningen of de toename van de verworven reserves en de bijdragen voor de dekking van het overlijdensrisico, het bedrag van 30.000 EUR (te indexeren, hetzij thans 31.836 EUR) overschrijdt.

Volgens de definitieve regeling is de bijdrage verschuldigd van zodra voor een werknemer of een zelfstandige de som van het wettelijk pensioen en van de reserves van het aanvullend pensioen, gedeeld door een omzettingscoëfficiënt, de pensioendoelstelling overschrijdt. De pensioendoelstelling stemt overeen met het maximum plafond van het ambtenarenpensioen voorzien door de wet Wyninckx van 5 augustus 1978 (hetzij momenteel 78.453, 60 EUR per jaar) vermenigvuldigd met de loopbaanbreuk van de werknemer of de zelfstandige.

De inwerkingtreding van de definitieve regeling was initieel voorzien op 1 januari 2016, tenzij bij KB een vroegere datum van inwerkingtreding zou worden vastgesteld. Maar omdat de invoering ervan vereist dat de pensioeninstellingen hun informaticasystemen zouden aanpassen alsook dat zij bijkomende gegevens zouden verstrekken, werd de inwerkingtreding van de definitieve regeling uitgesteld naar 1 januari 2017.

Thans wordt die inwerkingtreding een tweede keer uitgesteld, ditmaal naar 1 januari 2019, aangezien gebleken is dat de verschillende actoren voor de berekening en inning van de Wyninckx-bijdrage volgens de definitieve regeling, niet klaar zijn.
Dit nieuwe uitstel is voorzien in het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken dat op 20 juli 2017 in de plenaire vergadering van de Kamer werd aangenomen en aan de Koning ter bekrachtiging werd voorgelegd.