Site icon CommYounity

Poging tot moord – een feit uit het privéleven dat aanleiding geeft tot een dringende reden?

Na via de pers te hebben vernomen dat één van zijn medewerkers was aangehouden voor poging tot moord op twee naasten, ging de werkgever over tot het ontslag om dringende reden van de medewerker in kwestie.

 Volgens de werkgever heeft de werknemer – door de feiten die zich in de privésfeer afspeelden – de professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk gemaakt omwille van (1) de veiligheid van de werknemers van de vennootschap en (2) de reputatieschade die zij zou geleden hebben.

In het licht van artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 onderzoekt het Arbeidshof van Brussel in haar arrest van 7 oktober 2016 het bewijs van de dringende reden alsook de gegrondheid van het ontslag om dringende reden.

 Wat de feiten betreft, heeft het Hof geoordeeld dat deze bewezen waren aangezien de werknemer deze feiten had toegegeven in een brief die hij enkele dagen na zijn ontslag aan zijn werkgever had gericht.

 Met betrekking tot de vraag of feiten uit het privéleven in aanmerking kunnen worden genomen als dringende reden, kunnen volgende principes worden gehanteerd:

 Naar het oordeel van het Arbeidshof,  

 Het Arbeidshof concludeert dat de feiten die de werkgever als dringende reden weerhouden wenst te zien, feiten uit het privéleven van de werknemer zijn die de professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer niet onmiddellijk en definitief onmogelijk hebben gemaakt.

 Bron: Arbeidshof Brussel, 7 oktober 2016, AR: 2015/AB/703

 

Quitter la version mobile