In een arrest van 13 februari 2024 benadrukt de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, dat de uitzonderingsgrond van de persoonlijke levenssfeer op het principe van de passieve openbaarheid van bestuur strikt moet worden geïnterpreteerd. Het enkele feit dat gegevens verband houden met de persoonlijke levenssfeer, betekent volgens de Raad niet dat het bestuur automatisch deze uitzonderingsgrond kan inroepen. Er moet telkens in concreto een juiste toepassing worden gemaakt van het begrip ‘persoonlijke levenssfeer’.
Het principe van de passieve openbaarheid van bestuur
Artikel 32 van de Belgische Grondwet waarborgt de passieve openbaarheid van bestuur, wat betekent dat iedereen het recht heeft om elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen.
Artikel II.31. van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018 (hierna: Bestuursdecreet) implementeert dit recht als volgt: “[d]e overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, zijn verplicht aan iedereen die erom verzoekt, de gewenste bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen of er een afschrift van te overhandigen, of er uitleg over te verschaffen […]”.
De uitzonderingen en de beperkingen op de openbaarheid van bestuur
Volgens artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet moet een overheidsinstantie een aanvraag tot openbaarmaking afwijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, behoudens toestemming van de betrokkene. De bestuursinstantie mag daarbij niet aan belangenafweging doen. Elke aanvraag moet geval per geval worden beoordeeld om te bepalen of de openbaarmaking daadwerkelijk afbreuk doet aan de persoonlijke levenssfeer.
Feiten van het arrest
Het arrest betreft een verzoek tot openbaarmaking, ingediend bij de secretaris-generaal van Financiën en Begroting van de Vlaamse overheid. De verzoeker beoogt met dit verzoek een overzicht te bekomen van facturen betaald door/voor een kabinet van een minister-president. De betrokken overheidsinstantie verstrekt de facturen, maar anonimiseert de namen van enkele leveranciers (eenmanszaken) omdat het om persoonsgegevens zou gaan in de zin van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Hiertegen stelt de verzoeker beroep in bij de bevoegde beroepsinstantie, die het beroep ontvankelijk maar ongegrond verklaart: de openbaarmaking van de namen van de eenmanszaken zou de identificeerbare natuurlijke personen erachter onthullen en hielden als dusdanig verband met de persoonlijke levenssfeer.
De verzoeker stelt tegen deze laatste beslissing beroep tot nietigverklaring in. Volgens de verzoeker is de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd en schendt het de artikelen 32 van de Grondwet en II.34, 2° van het Bestuursdecreet.
Oordeel Raad van State
De Raad herinnert eraan dat de uitzonderingsgronden op de openbaarheid “geval per geval restrictief uitgelegd” moeten worden. Er moet telkens geval per geval worden nagegaan of er sprake is van een inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Opdat het begrip ‘persoonlijke levenssfeer’ juist wordt toegepast, preciseert de Raad dat gegevens zoals de naam, handtekening en woonplaats deel uitmaken van de persoonlijke levenssfeer, aangezien ze aspecten van de persoonlijkheid van de persoon is zich dragen, maar verduidelijkt dat het “niet is omdat gegevens een verband vertonen met de persoonlijke levenssfeer, dat de openbaarmaking ervan ipso facto ook afbreuk doet aan die persoonlijke levenssfeer. Ook dat moet in concreto worden onderzocht.”
Omdat de bestreden beslissing niet wordt gedragen door feitelijk bewezen en juridisch draagkrachtige motieven, concludeert de Raad dat niet wordt aangetoond dat de openbaarheid afbreuk doet aan de persoonlijke levenssfeer overeenkomstig artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet.
